Beeldspraak

BEELDSPRAAK – Warmte in de stal


Ds. Freek Schipper

In vrijwel iedere kerststal en op bijna elk kerstschilderij zijn ze te zien: de os en de ezel. Ze staan verbaasd en eerbiedig bij de kribbe waarin anders hun voer te vinden is.
Zo verwijzen ze naar Jesaja 1 vers 3: “Een os kent zijn eigenaar en een ezel
kent de kribbe van zijn meester, maar Israël heeft geen begrip en inzicht.” Dat is wel eens antisemitisch uitgelegd: ‘Zelfs een os en een ezel begrijpen beter dan het blinde Joodse volk dat Jezus de Messias is.’ Gelukkig is die uitleg op de achtergrond geraakt. Nu kun je in de aanwezigheid van os en ezel in Bethlehem een uitnodiging zien: alle schepselen zijn er welkom.
‘Os en ezel’ klinkt in het Hebreeuws als sjor-wa-chamor – schorriemorrie
in de straattaal van Amsterdamse Joden. Daar werd niet al te kosjer volk
mee aangeduid. Maar juist mensen uit de goot zijn welkom in de stal.
Os en ezel vertegenwoordigen dieren en verschoppelingen. In hun stille
verwondering om het Kind zijn ze samen één met de herders en de wijzen.
Dit keer als slot geen haiku, maar verzen uit een lied van Sytze de Vries:


Wij zijn de ezel en de os.
Wij komen uit het paradijs,
maar zwoegen met de mensen mee
die sloven op hun aardse reis.
De voerbak is wéér rijk gevuld
met wat Hij ons te eten bood:
een lied met engelengeduld,
een mensenkind als levend brood.
Ik houd Hem met mijn adem warm,
jij mag Hem dragen op je rug.
En onze stal mag feestzaal zijn,
een paradijs vol goede vrucht!