Kinderkerstspel 2015 Thomaskerk Zierikzee
Verteller: Achter de duinen, verscholen tussen een groep bomen ligt een groot landhuis. Ooit woonde er een belangrijke familie, maar dat is al heel lang geleden. Nu woont er niemand meer in het huis. En dat is te zien. Het is oud en vervallen. Soms brokkelt er een stukje muur af en er groeien takken uit het dak. Je zou denken dat het huis op slot zit. Maar dat is niet zo. Je kunt er zo in. Door de deur. Of door een klein gat in de muur, zoals deze muizen ontdekten. Die wonen er nu al heel lang. ’s Middags komen er vaak kinderen spelen. Het is hun geheime plek.
Muis Pollewop: Hoe laat zou het zijn?
Muis Piep: Nog niet zo laat, denk ik.
Muis Pollewop: Maar toch denk ik dat het tijd is om naar ons holletje te gaan, Piep!
Muis Piep: Waarom?
Muis Pollewop: Ik hoor die kinderen! Ze komen hier weer spelen, kom snel!
Verteller: Pollewop en Piep maken zich snel uit de voeten. Ze hebben gelijk: Noa, Jamie en Daan komen er aan.
Noa: Zullen we vandaag in de geheime kamer gaan zitten?
Jamie: Welke bedoel je? Die met het schilderij?
Noa: Ja, en de spiegel en de klok.
Daan: Oké. Weet je, mijn vader vertelde trouwens pas wie er ooit in dit huis woonde.
Jamie: Wát, heb je hem verteld over onze geheime plek?
Daan: Nee joh, natuurlijk niet. Hij zei het gewoon uit zichzelf, toen we bij de bunkers liepen. Toen wees hij deze kant op en begon een heel verhaal.
Noa: O ja? Nou, wie woonde er dan ooit?
Daan: Meneer Quarles van Ufford. Hij staat op het schilderij. Ooit woonde hij hier met zijn vrouw en kinderen. Lang geleden, in de vorige eeuw.
Jamie: Boeiend, maar niet heus. Wat zullen we gaan doen? Vuurtje stoken?
Noa: Nee joh, niet binnen! Stel je voor dat het huis in de fik vliegt!
Daan: Hé, moet je zien, er komen mensen aan! Het lijkt wel of ze hier naar toe komen. Snel, laten we ons voor de zekerheid verstoppen!
Verteller: Daan heeft het goed gezien. De mensen die op het huis af lopen zijn makelaar mevrouw Vondeling en meneer en mevrouw Groenrijk. Een makelaar is trouwens iemand die huizen verkoopt.
Makelaar Vondeling: Kijk, mevrouw, meneer, dit is het huis dat ik u wil laten zien. Uitstekende locatie, prachtige plek, al zeg ik het zelf. En dat voor een heel redelijke prijs!
Mevrouw Groenrijk: Het is inderdaad geweldig. Die duinen, het bos, de zee zo dichtbij!
Meneer Groenrijk: En met mijn auto kan ik snel de weg op. U hebt niets teveel beloofd!
Mevrouw Groenrijk: De plek is heel mooi, maar het huis is helemaal niks.
Meneer Groenrijk: Nee, liefje, je hebt gelijk, dat is helemaal niks. Zo oud, daar is niets meer mee te beginnen. Wel jammer, maar niets aan te doen.
Makelaar Vondeling: Niets aan te doen? Natuurlijk is daar iets aan te doen. Het huis is toch helemaal geen probleem, beste mensen. Als dit uw droomkavel is dan kan ik u de naam van een bedrijf geven dat de hele boel sloopt.
Mevrouw Groenrijk: Sloopt?
Makelaar Vondeling: Wat ik zeg, sloopt. Er blijft geen steen van het huis over en u kunt gewoon een nieuw huis bouwen. Een droomhuis op een droomplek.
Meneer Groenrijk: O ja, dat weet ik wel. Mensen op mijn werk, Bent en Rose hebben dat ook gedaan.
Mevrouw Groenrijk: Kan dat dan gewoon?
Makelaar Vondeling: Nou, er is wel een vergunning voor nodig. Die moet u aanvragen op het gemeentehuis. Maar dat lijkt me in uw geval geen enkel probleem. Geen énkel probleem.
Meneer Groenrijk: Ik heb genoeg gezien, laten we de boel slopen en een nieuw huis bouwen.
Verteller: Terwijl de makelaar en meneer en mevrouw Groenrijk weglopen kijken Daan, Jamie en Noa elkaar verschrikt aan.
Daan: Hoorde je dat?
Jamie: Nee, wij zijn doof, nou goed?
Noa: Maar dat mag toch niet? Ze kunnen toch niet ons huis zomaar slopen?
Daan: Weet je wat we doen? We gaan het huis bewaken. We kunnen dan precies in de gaten houden wat er gaat gebeuren.
Jamie: Ja hoor, zie je het voor je? Ik lig vannacht toch wel graag in mijn eigen bed, als je het niet erg vindt.
Daan: Natuurlijk niet ’s nachts joh. Wat zou er nou ’s nachts gebeuren?
Noa: Ik vind het een goed plan. Als we om de beurt elke dag gaan dan kan het best. Het komt wel goed uit dat we volgende week herfstvakantie hebben!
Verteller: Zo spreken ze af dat ze elke dag naar het huis zullen gaan. Als er één naar huis moet blijft een ander op wacht staan. De dagen gaan voorbij zonder dat er iets gebeurt. Maar dan, op de laatste dag van de vakantie, komen er twee mensen aan. Mensen met mapjes in hun handen. Mensen die naar het huis kijken en er omheen lopen. Het zijn de mensen die de vergunning voor de sloop moeten geven, mevrouw Van de Breke en meneer Sgele. Daan, die vandaag de beurt heeft om het huis te bewaken, kan alles horen wat ze zeggen.
Meneer Sgele: Dus dit is het pand dat gesloopt moet worden.
Mevrouw van de Breke: Ja, daar moeten wij toestemming voor geven.
Meneer Sgele: Het lijkt mij geen enkel probleem. Het is al zo oud. Het ligt al bijna in puin. Ik denk niet dat het iemand kan schelen als dit huis weg is.
Mevrouw van de Breke: Laten we nog even naar binnen gaan, misschien ziet het er binnen anders uit...
Ach gut, er hangen hier nog dingen aan de muur. Een klok die al een eeuwigheid stil staat, en een oud schilderij.
Meneer Sgele: O, die meneer, dat is meneer Quarles van Ufford. Die woonde hier ooit.
Mevrouw van de Breke: Nou, dat schilderij is natuurlijk ook geen cent waard. Die spiegel is wel aardig, die kunnen we wel even meenemen. Geen haan die er naar kraait. Maar aan de andere kant: zo’n vies oud ding, wat moet je ermee?
Meneer Sgele: Niks. Zo’n spiegel is vast ook hartstikke zwaar.
Mevrouw van de Breke: Ik heb ook helemaal geen zin in dat gesjouw. Ik heb vandaag al wel weer genoeg gedaan. Zullen we gaan?
Meneer Sgele: Mij best. Ik heb het wel gezien hier.
Mevrouw van de Breke: Precies. Ik zou zeggen: slopen maar!
Verteller: Mevrouw van de Breke en meneer Sgele gaan weg, maar Daan blijft geschrokken achter. Wat nu? Als ze echt weg zijn holt ze terug naar het dorp, naar Noa en Jamie.
Daan: Moet je horen wat er gebeurd is! Ze willen het huis echt slopen, ze vinden het gewoon goed!
Noa: Hoezo? Heb je mensen gezien dan?
Daan: Ja, er kwamen een meneer en een mevrouw en het kon ze niks schelen. Ze deden net of het huis al afgebroken was, zo liepen ze er doorheen.
Jamie: Nou, dat zullen wij dan nog wel eens zien. Dat gaat heus niet door.
Daan: Hoezo niet? Wat kunnen wij er dan nog tegen doen?
Jamie: Jullie kennen Guusje Binckhorst toch wel?
Noa: De kinderburgemeester bedoel je?
Jamie: Precies. Kijk, wij kunnen niet zomaar naar de burgemeester gaan, maar zij wel!
Daan: Zo hé, wat een goed plan! Dan vragen we haar of zij aan de burgemeester wil vragen om de sloop te stoppen!
Verteller: Zo gebeurt het. Ze gaan naar Guusje en leggen uit wat er aan de hand is. Guusje vindt het reuze spannend. Een geheime plek -die nu niet meer zo geheim is - die mag natuurlijk niet gesloopt worden! Slopen kan altijd nog. Maar nu nog niet. Ze gaat direct naar de burgemeester.
Burgemeester Van der Goedewille: Goedemiddag Guusje, wat kan ik voor je doen? Ben je al een beetje gewend aan je nieuwe ambt?
Guusje: Ja hoor, maar moet u horen. In de duinen staat een huis, een heel oud landhuis en nu willen ze dat slopen.

Verteller:
Guusje vertelt het hele verhaal en als het uit is haalt ze diep adem en zegt:

Guusje:
Burgemeester, wilt u er niet een stokje voor steken? Ik zou zeggen, als ik u was: Slopen kan altijd nog!
Burgemeester: Nou Guusje, ik weet het niet hoor. Het landhuis is al zo lang leeg en al zo vervallen. Maar om jou een plezier te doen wil ik er wel eens even naar kijken. Misschien kunnen we een keer samen naar het huis gaan? Zou jij over een paar weken op woensdagmiddag kunnen? Dan heb ik wel even tijd.
Guusje: Meent u dat echt? Dat zou hartstikke mooi zijn. Natuurlijk kan ik dan. Op woensdagmiddag heb ik alle tijd. Nou ja, vanaf half drie dan. En vindt u het goed dat de kinderen waar ik dit van hoorde, ook meegaan?
Burgemeester: Prima hoor. Dat is dan afgesproken.
Verteller: Een paar weken later is het zover. De burgemeester en de kinderen lopen door het huis. De kinderen wijzen hem alles aan en vertellen honderduit hoe leuk het huis is. Ze lopen ook naar hun geheime kamer, waar het schilderij hangt.
Jamie: Kijk burgemeester, daar hangt nog een verre voorouder van u. Net zo deftig!
Burgemeester: Nou, zo deftig ben ik toch niet?
Guusje: Wat is er, burgemeester? Waarom schrikt u zo?
Burgemeester: Wacht even meisje, ik moet even bijkomen. Zo, dat is wel heel vreemd, kinderen. Ik schrok zo omdat ik die man herkende. Ik heb vannacht gedroomd en toen zag ik die man steeds. Hij zei de hele tijd: ‘slopen kan altijd nog’ , ‘slopen kan altijd nog’. Ik dacht dat ik zomaar over slopen droomde omdat ik hier naar toe zou gaan.
Guusje: Dat is inderdaad vreemd. Het klinkt als een boodschap. Alsof hij ons iets wil zeggen. Zei hij echt: “slopen kan altijd nog?”
Burgemeester: “Ja, dat bleef hij maar herhalen”.
Daan: Ja, dan lijkt het me niet zo moeilijk wat hij wil zeggen. Het huis mag niet gesloopt worden, dat is wel duidelijk!
Burgemeester: Tja, ik weet het niet. Dat zal ik toch moeten bespreken met meer mensen. Ik kan daar niet alleen over beslissen.
Verteller: De burgemeester loopt hoofdschuddend door en dan gaan ze allemaal weer naar huis. Hoe zal het verder gaan? Niemand die het weet. Misschien wordt het huis toch wel gesloopt. Weer gaan een paar weken voorbij. Het huis staat er nog steeds. Het is nog niet te laat. De burgemeester is in zijn werkkamer aan het werk als de telefoon gaat.
Burgemeester: Ja, met burgemeester Van der Goedewille van de gemeente Aldezathen, goedemiddag.
COA-medewerkster mw. Huizinga: Goedemiddag burgemeester. U spreekt met mevrouw Huizinga, van het COA.
Burgemeester: Juist ja, van het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers. Waarmee kan ik u helpen?




Mw. Huizinga:
Veel mensen zijn gevlucht uit hun land. Ze komen naar Nederland en wij moeten zoeken naar plaatsen waar ze kunnen slapen. Onze vraag aan u is of u een plek heeft in uw gemeente.
Burgemeester: Hoe groot moet die plek zijn?
Mw. Huizinga: Veel mensen mogen in grote sporthallen slapen. Maar we zijn blij met alles.
Burgemeester: Tja, die vluchtelingen, dat is erg. Maar ja, u vraagt me wel wat. Ik moet daar over nadenken en het bespreken, dat snapt u wel. Ik laat het u zo snel mogelijk weten. Goedemiddag!
Verteller: De burgemeester legt zijn telefoon neer en loopt naar de plattegrond van zijn gemeente. Waar zou die opvang kunnen? Misschien in de sporthal? Of in één van de kerken? Dat zijn wel grote gebouwen, maar niet zo geschikt om lang in te blijven. Hij schudt zijn hoofd als er op de deur wordt geklopt.
Guusje: Goedemiddag, burgemeester! Wat is er? U ziet er een beetje bezorgd uit.
Burgemeester: Tja Guusje, dat is een lang verhaal. Wacht, ik laat even wat drinken komen en dan vertel ik het je.

Verteller: Maar de burgemeester is nog niet uitgesproken of de telefoon gaat weer.

Burgemeester:
Goedemiddag, Van der Goedewille, van de …
Daan: Ja, hallo burgemeester. U spreekt met Daan Timmerman, u weet wel, van het landhuis pas. Er is iets gebeurd, burgemeester, in het huis. Iets heel vreemds. Wilt u alstublieft direct komen kijken?
Burgemeester: Ja maar Daan, dat gaat toch zomaar niet. Daar heb ik toch helemaal geen tijd voor!


Daan:
Ja, tijd, precies wat u zegt. De tijd, daar is iets mee. Hier in het landhuis. Daarom moet u komen!
Burgemeester: Nou, vooruit dan maar. Je klinkt behoorlijk paniekerig. We komen eraan, ik neem Guusje ook mee, die is hier net bij me.
Verteller: Guusje en de burgemeester gaan snel naar het huis. Daan wacht hen al op en snel gaat zij ze voor naar de geheime kamer, waar de klok hangt. Daar zijn ook Jamie en Noa.
Daan: Kijk, kijk eens goed naar de klok! Hij staat opeens op 5 voor 12! Dat was nooit zo, ik zweer het u. Hij stond altijd op half zeven of zo. Maar toen we binnen kwamen zagen we het meteen: de klok is opeens gaan lopen. En nu staat hij stil op 5 voor 12.
Noa: ik vind het een beetje eng.
Guusje: Ja, het is wel heel raar. Eigenlijk kan het niet.
Burgemeester: Nou ja, er zijn wel meer dingen die eigenlijk niet kunnen.
Guusje: Wat bedoelt u? Wat was het trouwens nou daarnet, voor we weggingen? Wat wilde u mij vertellen?
Verteller: Dan vertelt de burgemeester over de vraag of hij vluchtelingen op kan vangen. En hij zegt dat hij alles heeft bekeken, maar dat het eigenlijk nergens kan. Er is nergens een geschikt huis te vinden dat groot genoeg is.
Burgemeester: Ik vind het wel heel erg. Want voor veel van die mensen is het vijf voor 12. Ze kunnen nergens heen, en in hun land is het heel gevaarlijk.
Guusje: Hé, hoort u wat u zegt? U zegt 5 voor 12. U zegt dat het vijf voor twaalf is voor die mensen. Tijd om iets te doen, omdat het anders te laat is.
Daan: Ja, en 1 en 1 is twee.
Jamie: Wat bedoel je daar nu weer mee?
Daan: Simpel. De klok staat op vijf voor 12. En de burgemeester zegt dat het voor de vluchtelingen vijf voor 12 is. Tijd om iets te gaan doen dus. En wáár staat de klok op vijf voor twaalf? In dit huis! Dus is dit de plaats om nú de vluchtelingen een plek te geven!
Burgemeester en Guusje: In dit landhuis, bedoel je? Deze vervallen ruimte? Alles is oud! Dat kan toch niet?
Daan: Het valt best mee. Als we ons best doen is het zo opgeknapt. Dan kan het nog voor de kerstdagen klaar zijn. Het kan best, mijn moeder zegt altijd: de wonderen zijn de wereld nog niet uit!
Verteller: Hoe meer ze erover nadenken hoe enthousiaster iedereen wordt. Het kan best! En zo gaan er veel mensen aan de slag om het huis snel in orde te maken. De kinderen hangen nieuwe gordijnen op en behangen de muren. De burgemeester belt de mevrouw van de opvang op en vertelt dat de vluchtelingen mogen komen. De burgemeester belt ook met de makelaar om te vertellen dat het huis niet verkocht gaat worden. En hij heeft nog veel meer plannen!
Burgemeester (terwijl hij opnieuw belt): “Ja, mevrouw Van der Breke, moet je horen. In dat huis dat je zou laten slopen, komen vluchtelingen. En ik wil op de avond voor Kerst een gezellige ontmoeting organiseren. Ik verwacht jou daar, en meneer Sgele ook. En regel ook even dat makelaar Vondeling komt.
Van der Breke: “Maar dat kan toch niet zomaar! We hebben het huis al zo goed als verkocht. Dan verdienen we er niks meer aan!”
Burgemeester: “Doe nu maar wat ik zeg, je zult zien hoe mooi dat wordt!”
Van der Breke: “Nou dan moet dat maar. Tot ziens!”
Burgemeester (terwijl hij opnieuw belt): Meneer Groenrijk? Ja, fijn dat ik u tref. Ik heb een vraag. Zou u, natuurlijk samen met uw echtgenote, op de avond voor Kerst in het landhuis kunnen komen? (…)Ja, ik weet het, jammer ja. Maar u moet niet vergeten dat het huis nu een heel goed doel dient. (….)Ja, niets aan te doen. Maar fijn dat u toch komt. Graag tot dan!
Verteller: Eindelijk, op de dag voor het kerstfeest is alles klaar. ’s Morgens worden alle vluchtelingen ontvangen. Ze komen overal vandaan. Al snel is het huis vol. Dan wordt het kerstavond. Alle mensen zijn gezellig bij elkaar. Iedereen is er. Zelfs de muizen komen om de hoek kijken. En hoewel iedereen in allerlei talen praat begrijpen ze elkaar toch. Dan wordt er op de deur geklopt. Voor de deur staan een man en een vrouw. De burgemeester doet open:
Jozef: Alstublieft, hebt u nog een plek om te slapen? Wij zijn al zo lang onderweg en mijn vrouw is in verwachting, zoals u ziet. Ze moet rusten, anders gaat het niet goed met haar.
Burgemeester: Wat vind ik dat nou erg. Alles zit hier propvol. Er kan echt niet nog iemand slapen. Maar weet u wat? De stal hiernaast is ook heel lekker warm. Daar mag u wel naar toe gaan.
Maria: Fijn, dank u wel.
Verteller: Middenin de nacht gebeurt het. Dan wordt het kindje geboren. Maria wikkelt het in doeken en legt het in de voederbak van de dieren. En in de buurt van het huis, op het weiland achter de duinen, houden de herders de wacht over hun schapen. Opeens staat er een engel tussen de herders, en het licht van God straalde om hen heen. De herders werden bang, maar de engel zei: “Ik breng jullie goed nieuws. Vandaag is jullie redder geboren, Christus de Heer. En zo kunnen jullie Hem herkennen: het kind ligt in een voederbak en is in een doek gewikkeld”.
Herder: Kom, laten we naar de stal gaan om te kijken of het daar is.

Verteller:
De herder ging met zijn schapen naar de stal. Inmiddels was iedereen in het huis ook wakker geworden van het geblaat van de schapen en liep naar buiten om te zien wat er was.

Jamie:
“Wat is er aan de hand, het is midden in de nacht!”
Herder: “Er is een belangrijk kind geboren, dat heb ik van een engel gehoord. Nu ga ik met de schapen in de stal kijken of het daar misschien is”.
Alle spelers: “Dat willen wij ook zien, wij gaan mee”.
Verteller: Met zijn allen gaan ze naar de stal en inderdaad, daar ligt het kind. Gewikkeld in doeken, in een voederbak. Maria : Dit is mijn kind. Hij heet Jezus. Bij Hem is voor iedereen plaats. Alle spelers: Vandaag vieren wij een groot feest, want Jezus is geboren. Bij Hem is voor ieder mens plaats!
Maria: Dit is mijn kind. Hij heet Jezus. Bij Hem is voor iedereen plaats.
Alle spelers: Vandaag vieren wij een groot feest, want Jezus is geboren.
Bij Hem is voor ieder mens plaats!


ROLVERDELING
Verteller:
Noa Vroegindewei:
Jamie Sterk:
Daan Timmerman:
Makelaar Vondeling:
Meneer Groenrijk:
Mevrouw Groenrijk:
Mevrouw Van de Breke:
Meneer Sgele:
Burgemeester Van der G:
Guusje Binckhorst:
Mevrouw Huizinga:
Vluchtelingen:
Muis Pollewop:
Muisje Piep:
Herder:
Schapen:
Engel:
Jozef:
Maria:
Lars Gabriëls
Isabella Hulsken
Chris Leenheer
Anouk Leenheer
Emmanuelle Kruseman
Gijs van Westen
Jesca den Boer
Ilse van Donk
Lucas Joppe
Tom van Westen
Senne den Boer
Julia Kruseman
Julia Sanderse, Eveline Hitzert, Lilian Fertoute
Fay van de Vate
June van de Vate
Silas Hulsken
Tim van der Paal, Daniël van der Bijl, Sara Ringelberg
Valentijn Hulsken
Tom Kouijzer
Sylvie den Boer
Ontwerp poster en kleurplaat:
-Theresia Koelewijn
Ontwerp decor:
-Petra van den Doel en Marleen van de Vate
Decorbouwers:
-Giel van Leeuwen, Frank Gabriëls, Patrick Timmers, Rens IJzelenberg Aad van Poppel
Decorschilders:
-Colinda en Lars Gabriëls, Anneke Dekker, Senne en Jesca den Boer, Fay, June en Marleen van de Vate, Fleur en Anouk Leenheer, Saskia, Silas en Valentijn Hulsken, Marije en Tom Kouijzer, Wesley Hart, Petra van den Doel.
Spelleiding:
-Esther van der Schee en ds. Joke van Voorst
Tekst:
-ds. Joke van Voorst


naar het overzicht