Verteller:
Hebben jullie weleens gehoord van professor Pieker? Een professor is iemand die op heel veel vragen een antwoord wil vinden. En om die antwoorden te vinden doet hij of zij onderzoek en denkt veel na.
Professor Pieker is zo’n professor. Op een dag had hij een interessante vraag bedacht.
Die vraag kwam zomaar in hem op en liet hem niet los. Hij vroeg zich af: wat is het donkerste plekje op aarde?
En nu doet hij onderzoek. Je ziet hem in zijn studeerkamer zitten. Hij meet, hij rekent, hij schrijft op.

 
 



Professor Pieker
:
Tja, Utsjoki, 68 graden Noorderbreedte, Lapland. Dat moet het dan toch zijn.
Verteller:Terwijl professor Pieker alles opschrijft gaat de bel. Professor Pieker staat mopperend op - hij vindt het helemaal niet leuk om gestoord te worden - en doet open.
Daar staan twee kinderen voor de deur. Ze heten Catootje en Veerle . Ze komen vaak bij professor Pieker. Ze helpen hem met van alles en nog wat. Als professor Pieker de kinderen ziet klaart zijn gezicht op.

Professor Pieker: Dag jongens, of dag meisjes, is de school nu alweer uit? Wat goed dat jullie langskomen! Ik heb net een belangrijke ontdekking gedaan. Kom gauw binnen.
Catootje:Nou graag, professor. Ik ben benieuwd wat u ontdekt hebt.
Professor Pieker: Kijk kinderen, hier moet het zijn.

 
 

Veerle: Wat, professor Pieker?
Professor Pieker: Hoezo wat?
Veerle en Catootje: Nou, wat hebt u ontdekt?
Professor Pieker: O, had ik dat nog niet verteld? Ik ben op zoek naar het donkerste plekje op aarde.  Kijk, ik heb het allemaal uitgerekend. Hier moet het zijn. In Utsjoki, Lapland, op de achtenzestigste graad noorderbreedte. Daar heerst de poolnacht, van eind november tot ver in januari. De zon komt dan niet op. Donkerder kun je het niet krijgen, denk ik zo.
Catootje : Tja, het zou kunnen.
Maar kijk, het zou ook het dorpje Pikoki kunnen zijn dat net nog iets meer naar het noorden ligt.
Veerle: En hebt u wel gedacht aan het poollicht? Dat licht komt daar juist het meest voor.
Professor Pieker: nee, nooit aan gedacht. Je hebt gelijk en Catootje ook. Ik heb steeds zitten rekenen. Maar het lijkt erop dat mijn sommen de boel alleen maar in de war maken.
Catootje: Ik heb een plan. In de studeerkamer komt u niet verder.
We moeten naar buiten, dan kun je het zelf zien.

 
 

 
 

Veerle: Cato heeft gelijk, professor Pieker. Laten we in het bos beginnen. Daar is het donkerder dan in de stad.
Verteller:Professor Pieker ziet in dat zijn onderzoek zo niets oplevert en hij besluit met de kinderen mee te gaan. Als het avond geworden is pakken ze alle spullen die ze nodig hebben, zoals de lichtmeter, in. Al gauw lopen ze de stad uit, naar de rand van het bos.
Professor Pieker: Kijk jongens, de waarde van het licht daalt hier flink.
Veerle: Dat zien we zo ook wel, professor. Zal ik mijn zaklamp aandoen?
Catootje: Natuurlijk niet, dan zien we toch niet waar het het meest donker is?

 
 

Verteller: Opeens horen ze alledrie voetstappen. Ze luisteren een beetje gespannen op wat komen gaat. Gelukkig, het is de boswachter maar. Hij doet zijn avondronde door het bos.
Boswachter Muis: Hé daar, mensen, zijn jullie zo laat nog in het bos?
Professor Pieker: Goedenavond boswachter, neemt u ons niet kwalijk dat we de eekhoorns storen in hun hazenslaap. U moet weten, wij doen belangrijk onderzoek.
Boswachter Muis: Onderzoek? Daar weet ik niets van. Staatsbosbeheer heeft mij nergens iets van verteld.
Catootje: Wij doen zelf een onderzoek.
Veerle: wij zoeken het donkerste plekje op aarde.
Boswachter Muis: Toe maar! Het donkerste plekje op aarde nog wel.
Voor Nederland is het niet zo moeilijk hoor. Dat is allang gemeten.
Professor Pieker: O ja? Heb ik een meting gemist dan?
Boswachter Muis: Dat denk ik ja. Het eiland Schiermonnikoog is ‘s nachts het meest donker. Tenminste, van de gebieden waar nog mensen ook wonen. En in Zeeland is Oostkapelle het donkerste plekje van de provincie.

 
 

Verteller: Professor Pieker twijfelt of de boswachter wel gelijk heeft. Immers, op het eiland Rottumeroog wonen maar twee mensen, en dat is vast veel donkerder dan Schiermonnikoog. Boswachter Muis besluit mee te gaan op zoek naar het donkerste plekje. Stil lopen ze alle vier verder terwijl professor Pieker op de lichtmeter tuurt alsof die het antwoord weet.
Opeens struikelt professor Pieker en gilt:

Professor Pieker: Wat is dat ?
Molletje Miep: Nou zeg, gil niet zo, ik steek alleen mijn hoofd even buiten de deur.
Molletje Map: Wat is er Miep, gebeurt er iets?
Molletje Miep: Er zijn hier mensen!
Molletje Map: Zo laat nog?
Boswachter Muis: Neem ons niet kwalijk, we doen een belangrijk onderzoek. We zoeken het donkerste plekje op aarde.
Molletje Miep en molletje Map: Het donkerste plekje is allang bekend. Daar wonen wij!
Verteller: Terwijl de boswachter en professor Pieker met zijn helpers beteuterd achterblijven kruipen de molletjes weer onder de grond.
Professor Pieker is de eerste die weer wat weet te zeggen.
Professor Pieker: In het bos komen we niet verder. Wij zijn niet geïnteresseerd in de behuizing van mollen.  Laten we naar het noorden gaan, richting Lapland.
Catootje en Veerle: Goed idee! Laten we gauw de auto halen.
Boswachter Muis: Sorry, dat gaat me te ver. Dan ga ik weer naar huis.

 
 

Verteller:
Catootje, Veerle  en Professor Pieker zitten al snel in de auto, en draaien de snelweg op.
Na een poosje ontdekt professor Pieker dat hij bijna geen benzine meer heeft. Gelukkig is er al snel een plek waar je benzine kunt tanken.
Professor Pieker stapt uit en tankt de benzine. Hij loopt naar de bediende om af te rekenen. Catootje en Veerle lopen mee.

Prem: Goedenavond meneer, dag kinderen, zo laat nog op pad?
Veerle: We doen een belangrijk onderzoek. Deze meneer hier is namelijk een professor.
Prem: Zo zo. Een echte professor. Nou ja, dat komt hier zo dicht bij Amsterdam wel meer voor. En wat onderzoekt u?
Catootje: We zoeken het donkerste plekje op aarde.
Prem: Het donkerste plekje op aarde. Nou misschien is dat hier wel.
In ieder geval is het voor mij een heel donker plekje.
Professor Pieker: Hoezo?
Prem: Nou, er is pas gemeten waar in Nederland de lucht het meest vervuild is. En dat is hier. Dat heb ik weer, dacht ik toen ik het hoorde.
Catootje: Het meest vervuild, dat is nog niet het meest donker. Hoewel, dat is maar hoe je er tegenaan kijkt. Als je je verdrietig voelt voelt het ook alsof alles donker is.

 
 

Verteller: Terwijl ze zo praten komen er andere reizigers bij de benzinepomp. Het zijn drie vriendinnen die een dagje uit zijn geweest. Ze willen graag afrekenen.
Mevrouw In ‘t Veld: Zo, mensen, schiet het nog een beetje op? Wij willen ook verder.
Mevrouw Wereldwijd: Waar hebben jullie het eigenlijk over? Ik hoor iets over meest vuil en meest donker?
Verteller: Professor Pieker vertelt over zijn onderzoek en over wat Prem heeft gezegd. Nu mengt ook de derde vriendin zich in het gesprek.
Mevrouw de Groot: O, gaat het daar over. Nou dan weet ik er ook nog wel één. Wat dacht je van de landen waar oorlog gevoerd wordt? Donkerder kun je toch niet hebben?
Catootje: Als we zo gaan kijken naar het donkerste plekje dan moet ik denken aan de oceaan. Er drijft op sommige plaatsen zoveel plastic dat alle vissen dood gaan.
Veerle: Dichterbij huis kun je dan ook plekken genoeg vinden. Wat dacht je van mensen die ziek worden en steeds naar het ziekenhuis moeten? Hoe donker is het voor hen?
Professor Pieker: Ach, dan moet ik er aan denken dat kinderen mij in de klas  altijd ‘nerd’ noemden omdat ik het zo leuk vond om dingen te leren. Zouden kinderen het nu nog weleens zeggen? Ik weet nog wel dat het heel donker voelde.
Mevrouw in ‘t Veld: Nu ja, kinderen maken ruzie en schelden elkaar uit, maar grote mensen doen dat ook, op hun manier.
Persoonlijk lijkt het mij erger om elke dag honger te hebben. Dat lijkt me het meest donker op deze aarde.
Catootje : Zo komen we er niet uit, professor. We kunnen de donkerste plek nooit vinden. Er zijn zoveel donkere plekken. Gewoon teveel om te vergelijken. Ik wil terug naar huis. Ik ben moe.
Veerle : Ik ook. Ik word hier alleen maar verdrietig van. Donker is helemaal niet leuk. Ik wil er niet meer naar zoeken.
Mevrouw de Groot: Kom, meiden we gaan weer verder. Succes met jullie onderzoek hoor. En een fijn Kerstfeest straks. Vrede op aarde, weet je wel?
Mevrouw in ‘t Veld: Ja we gaan weer, morgen is het een drukke dag. Er moeten nog veel boodschappen gedaan worden voor het kerstdiner.
Mevrouw Wereldwijd: Inderdaad. Tot ziens, mensen.
Prem: Daag allemaal, een fijn kerstfeest gewenst!

 
 

Verteller: Professor Pieker ziet dat de kinderen het menen en besluit om terug te gaan. Misschien moet hij nog eens goed over zijn vraag nadenken. Ze stappen in de auto en rijden  verder. De koplampen van de auto boren zich een weg door de duisternis. Het licht van de auto valt opeens op een man die langs de weg staat. Hij steekt zijn hand op, alsof hij aan het liften is.
Professor Pieker: Asjemenou. Daar staat een man! Eens kijken of hij hulp nodig heeft.
Professor Pieker: Dag meneer, wat doet u zo laat langs de weg? Kan ik u helpen?
Jesaja: Voor mij doet de tijd er niet toe. Ik ben van alle tijden. En nee, u kunt mij niet helpen. Ik denk zelfs dat ik ú kan helpen.
Catootje: Dat lijkt wel een raadsel.
Jesaja: Dat is het niet. Het is meer een boodschap. Speciaal voor jullie. En voor iedereen die het horen wil.
Veerle: Ik word nieuwsgierig. Wie bent u eigenlijk?
Jesaja: Ik ben Jesaja. En wie zijn jullie?
Verteller: Professor Pieker vertelt voor de zoveelste keer deze avond van zijn onderzoek. Hij vertelt hoe verdrietig ze zijn geworden van het zoeken naar het donker. Hij legt Jesaja uit dat ze nu omgedraaid zijn en niet meer verder zoeken.
Jesaja: Ik wist het wel. Ik wist het wel dat ik een goed bericht voor jullie zou hebben. Mijn woorden zijn voor alle mensen, voor alle tijden. Luister maar, dit is mijn boodschap: Mensen die in het donker lopen en geen licht meer zien zullen een schitterend licht zien. Zij die in het donker wonen worden door een helder licht beschenen.
Catootje: Dat klinkt inderdaad heel mooi. Om blij van te worden. Maar  waar komt dat licht dan vandaan?
Jesaja: Dat komt van God. Hij brengt licht waar het donker is.
Professor Pieker: Maar dan verandert mijn zoekvraag. Dan moet ik zoeken naar plekken die donker zijn en waar toch het licht gaat schijnen.
Jesaja: Dat klopt.
Veerle: Waar zullen we dan zoeken? Dan moeten we heel anders meten.
Jesaja: Ik heb wel een idee waar je mee zou kunnen beginnen.
Je zou naar Bethlehem kunnen gaan, in Israël. Daar wordt de messias  geboren.
Catootje: De Messias?
Jesaja: Ja, Hij is degene die het licht van God op aarde zal brengen. Hij zal onder de mensen wonen en het licht van God verspreiden, zodat iedereen God kan leren kennen en het licht ziet.
Verteller: Jesaja vertelde nog veel meer. Hij vertelde hóe de Messias het licht op aarde zou brengen. Mensen die dachten dat het altijd donker zou blijven in hun leven omdat zij ruzie hadden of verdriet zou Hij troosten. Hij zou voor zieke mensen zorgen. Door de Messias zal er een nieuw licht over de wereld komen. Het zal schijnen als een zon over alle donkere plekken.
Professor Pieker: Het lijkt me een goed idee om naar Bethlehem te gaan. Wie weet, ontdekken we er iets van die Messias.

 
 


Verteller:
Zo gaan ze onderweg, richting Bethlehem. Als ze er bijna zijn lopen er een paar herders op de weg. Professor Pieker toetert, maar ze gaan niet aan de kant. Daarom stopt hij maar weer.

Professor Pieker: He, herders, kunnen jullie niet aan de kant?
Herder: Nee, wij zijn op weg naar Bethlehem. We hebben haast, we willen snel Jezus zien.
Catootje en Veerle : Jezus??
Herder : Ja, wij hebben net gehoord dat hij geboren is. We waren in het donker op het veld, aardedonker was het, en toen kwam er opeens een heel groot licht. Het scheen op ons allemaal en toen hoorden we engelen zingen dat Jezus geboren is. Ze zongen ook dat Hij licht zal brengen op aarde.
Professor Pieker: Hoe is het mogelijk?  Een groot licht in het donker, zeg je? Iemand die licht zal brengen?  Dan moet Jezus de Messias zijn, waar Jesaja het over had. Wij willen hem ook zien!
Herder : Volg ons dan maar.
Herder : Laat dat ding waar jullie in zitten hier maar staan. Wat stinkt dat ding zeg. Onze schapen worden er benauwd van.

 
 

Verteller: Met zijn allen lopen ze verder, zo snel als ze kunnen. Al gauw komen ze bij de stal. Daar zitten Jozef en Maria met het kind Jezus.      De herders knielen neer.
Professor Pieker: Is dit Jezus? Is dit degene over wie Jesaja ons verteld heeft?
Maria: Ja, Hij zal licht brengen  op aarde. 
Jozef: Voor mensen in het donker.
Veerle, Catootje en Professor Pieker:  Overal waar het donker is en mensen geen licht meer zien wil hij licht brengen! Laten we het aan iedereen gaan vertellen!

 
 

Alle spelers: Het licht van God schijnt over onze aarde, dat is de boodschap van dit kerstfeest.

 
 
 
 

 

 
Rolverdeling:
 
 

Verteller
professor Pieker
Catootje
Veerle
Boswachter Muis
molletje Miep
molletje Map
Prem Jadoenandansing
mevrouw In ‘t Veld
mevrouw de Groot
mevrouw Wereldwijd
Jesaja
Jozef
Maria
herder 1
herder 2
herder 3
schaap
schaap
schaap

Joost van den Doel
Frank van der Krieke
Rosalie de Zeeuw
Britt van Liere
Thomas Boot
Nikita Hulsken
Isabella Hulsken
Ruben van Meer
Britney Bouwman
Amar van Maanen
Sabine van Zeventer
Shanna Schouls
Angela de Jonge
Julia Sanderse
Therres van Maanen
Iwan de Cock
Diede van Meer
Ollie van Meer
Lars Gabriëls
Marwin de Jonge

 
 


Decor: Reggy Hulsken, Giel van Leeuwen, Aad van Poppel, Rens IJzelenberg, Evelien IJzelenberg

Tekst: Joke van Voorst
 

naar het overzicht