(tekst: ds. Joke van Voorst)

Vooraf
Wie is er weleens bang in het donker?
Spannend is het alleen als je een lichtje bij je hebt. Al ben je misschien niet bang, het donker is toch niet echt fijn. Je kunt struikelen of schrikken van vreemde schaduwen. Mensen voelen zich fijner als het licht is. Niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk. Je voelt je lekkerder als je vrolijk bent, lichter, dan wanneer je verdrietig bent, dan is het, zo zou je kunnen zeggen, een beetje donker. Maar hoe wordt het nu van donker weer licht? Met het kerstfeest vieren we dat Jezus’ geboorte licht op aarde bracht. Dat betekent dat als wij kijken naar Jezus, dat we dan licht hebben in het donker.
Over licht in het donker gaat het ook in het kerstspel. De mensen in deze stad dachten dat het licht wel vanzelf zou blijven branden. Maar onderweg naar het kerstfeest ontdekken ze dat dat toch niet zo is.
Het kerstspel heet Engelenwerk. Misschien ken je wel de uitdrukking: monnikenwerk. Dat zeggen we van werkjes die je heel nauwkeurig moet doen en die heel veel tijd vragen. Maar wat is nu engelenwerk? In de bijbelverhalen van de afgelopen weken kwamen we er al iets van op het spoor. Engelen brengen boodschappen van God bij mensen.
Soms zeggen mensen: dat was in de bijbel, dat gebeurt nu niet meer. Maar anderen vertellen dat ze nog steeds engelen zien of iets van een engel gemerkt hebben.
In het kerstspel zullen we - hoe kan het ook anders - ook engelen tegenkomen. En zij vertellen ook wat zij doen, wat engelenwerk is. En als je goed oplet dan zul je merken dat engelen hun werk nooit alleen doen.

Wat is het in deze tijd van het jaar mooi in de stad hè, als je er in het donker doorheen loopt. Je ziet overal lichtjes. Op de straten en in de huizen. Al die lichtjes branden zomaar vanzelf. Of toch niet? Voor ons lijkt dat zo. Je drukt op een knopje en floep, daar is het licht. Maar dat is niet altijd zo geweest. Vroeger moesten mensen kaarsen aansteken of olielampen. Of later lampen die op gas werkten. Ook de lampen op straat, in de lantaarns, moesten elke dag aangestoken worden. Nu gaan ze zomaar aan. Ze werken op elektriciteit.
Als ik ze zie moet ik weer denken aan wat ooit gebeurde in Donkerstad. Het is al lang geleden hoor, wel bijna honderd jaar.
Het was in de tijd toen mensen hadden ontdekt dat je lampen kon laten branden op elektriciteit. In Donkerstad hadden de mensen ook gehoord van het elektrische licht. Ze wilden dat licht heel graag in hun straten. En zo kwam het dat er op een dag naast de oude allemaal nieuwe lantaarnpalen in de stad stonden. Lantaarnpalen met elektrisch licht. Er was zelfs een heel feest om het nieuwe licht welkom te heten.
De burgemeester spreekt de burgers van Donkerstad toe:

"Beste burgers van Donkerstad. Het is mij een genoegen dit grote feest met u te mogen vieren. Wat een vooruitgang brengt ons deze tijd! Welk een belevenis dat wij nu dit licht in ons midden hebben! Welk een verlossing dat wij niet meer hoeven leven bij het kwetsbare, zachte licht van de gaslampen".

En zo sprak de burgemeester nog een tijdje door. Vol trots keek iedereen om zich heen. Ja, dit was tenminste iets.
Maar in een hoekje, ergens achter in de menigte, stonden een vader en moeder met hun kinderen. Zij keken verdrietig. Het was de familie Ligthart.
Zoontje Jan vraagt: "Papa, mag je nu nooit meer de lampen aansteken? Gaan ze nu altijd vanzelf aan?"
"Zo is het jongen. De mensen vinden dit licht mooier en handiger. En het hoeft niet aangestoken te worden, dus je vader heeft geen werk meer."
"En mogen wij nu ook nooit meer helpen?" zegt dochter Anna.
"Nee kindje" zegt moeder, "er valt niets meer te helpen. Kom laten we maar naar huis gaan, want hier worden we niet blij van."

Het licht ging elke dag vanzelf aan. Maar al gauw bleek dat dat niet steeds zo was. Er waren vaak storingen, dan viel het licht zomaar uit. De mensen liepen in zo’n geval opeens in het donker tegen elkaar aan te botsen.
Op een avond, begin december, was er weer een storing.
De burgemeester krabde zich achter zijn oor, want stel je voor dat dit ook op kerstavond zou gebeuren! Op kerstavond, als iedereen op weg was naar de kerk in zijn stad!
Hij moest iets bedenken, een oplossing voor het licht! Opeens dacht hij aan meneer Ligthart. Meneer Ligthart zou voor één keer het licht op de oude manier aan kunnen steken! De oude lantaarns waren immers nog niet opgeruimd. En zo kwam het dat op een dag de burgemeester op bezoek kwam bij de familie Ligthart.


"Nee maar, burgemeester, wat een eer!"
zegt moeder Ligthart. "Komt u toch gauw binnen. Wilt u koffie?"
"Nee, dank u, ik heb maar even tijd ziet u. Ik kom hier voor een vraag aan uw man.
Zo beste kerel. Ik zal maar meteen met de deur in huis vallen. Ik heb u nodig. U weet, dat nieuwe licht is prachtig."
"Zou u denken burgemeester?" antwoord Meneer Ligthart.
"Och, och, wat een ontdekking is dat! Maar ja, het is jammer genoeg nog wat onbetrouwbaar. Soms valt het uit. Afijn, dat weet u ook wel. Met Kerst kunnen we dat niet hebben. Daarom moet u dan het licht maar weer op de oude manier aansteken. Op het feest van licht kunnen we niet in het donker zitten, wat jij?"
"Wat u zegt, burgemeester."
"Juist ja, dus u steekt het licht weer aan op kerstavond?"


"Hoe graag ik ook zou willen burgemeester, het zal niet gaan. Ik heb mijn been gebroken op mijn nieuwe werk. Ik kan onmogelijk de ladder op om licht te ontsteken."
"Maar Berend" zegt mevrouw Ligthart, "misschien kunnen de kinderen het doen? Zij zijn het zo gewend! En wat zou het mooi zijn als ons licht zou schijnen op Kerst!"
Geweldig, bravo mevrouw" zegt de burgemeester. "Dat is dan geregeld. Ik groet u, en nog een kerst vol licht hoor."

Moeder Ligthart ziet de kinderen binnenkomen. "Dag jongens, zijn jullie er weer?" Hebben jullie het leuk gehad op school? Wij hebben hier hoog bezoek gehad. De burgemeester kwam vragen of wij met Kerst het licht nog één keer op onze manier aan willen steken."
"Huh? Hoe kan dat nou? Papa kan toch niet lopen met zijn gebroken been?" is de verbaasde reactie van zoon Jan.
"Nou en?" zegt Anna; "Wij kunnen het toch? En we kunnen onze vrienden toch vragen of ze ons helpen?"
"Dat zei je moeder ook al, Anna. Jullie vrouwen weten wel wat jullie willen! Maar zou dat nu allemaal echt wel gaan, Marie?"


Hoe meer ze over het plan nadenken, hoe beter het lijkt. En zo rennen Anna en Jan naar hun vriendjes om hen te vragen mee te doen. Ze moeten wel even uitleggen wat de bedoeling is, maar dan willen ze graag meedoen.
En zo komt het dat er aan het eind van de middag van 24 december acht kinderen op weg gaan met hun laddertjes om het licht aan te steken. Ze komen Boor tegen, die eigenlijk Boris heet, maar iedereen noemt hem Boor. Boor is de voddenman, die overal lappen en oude kleren ophaalt.
"Hé Boor" roept Anna. "Ben jij nog onderweg?
"Ja, meissie. De mensen hebben in deze tijd een hoop oude vodden. Komt omdat ze allemaal nieuw goed aantrekken. Een nieuw pak voor de kerst. En dan gooien ze het ouwe spul weg. Heb ik weer wat voor mijn handel. Maar wat doe jij nog zo laat op straat, met zo’n ladder?"
"Wij gaan het licht aansteken, Boor. Het mocht van de burgemeester."
"O nou, als het van de burgervader mag, vanzelf. Mooi licht vind ik het altijd, jullie licht. Boort zich zo mooi een weg door het donker. Nou, tot ziens hoor.
"
Even verderop loopt Mina, de huishoudster van de dominee. Ze wil graag altijd alles weten en bemoeit zich overal mee, dus stevent ze op de kinderen af.
"Hela, jullie daar! Wat zijn jullie met mijn ladder van plan? Ik heb hem vanmorgen nog gebruikt om de ramen te wassen van de studeerkamer van de dominee. Hij moet wel wat licht van buiten hebben als hij zijn preek schrijft. Of licht van Boven, anders wordt het met zo’n preek ook niks. Maar jullie hoeven toch mijn ladder niet te gebruiken?"
Jan zegt daarop: "Ach, die ladder is helemaal niet van u. Hij is van mijn vader, en wij gaan het licht van de lantaarns aansteken. Dan is het op kerstavond tenminste niet donker en maken de mensen geen ruzie omdat ze elkaar voor de voeten lopen."
"En mag dat zomaar van de burgemeester? Ik heb de dominee er nog helemaal niet over gehoord...ik ga eens vragen.
"
De kinderen komen bij de eerste lantaarn aan, en steken hem aan. Als het eerste licht brandt zien ze een kind lopen.
Liesbeth vraagt; "Kennen jullie dat kind?"
"Nee" zegt Agnes "Ik niet."
"Hé jij daar, wie ben jij?"
"Ik heet Wiel. In mijn land heten meer kinderen zo, hoor. Ik ben met mijn ouders gevlucht uit België. Wij hebben oorlog in ons land. Gek hè. Het is zo dichtbij en toch is het hier wel veilig en daar niet. Daarom zijn we hierheen gekomen. Maar nu ben ik de weg een beetje kwijt. Ik loop maar steeds rondjes."
"Dat krijg je van zo’n naam. Een wiel draait rondjes."
Kees vindt dit niet leuk en zegt; "Nou, doe niet zo flauw. Waar moet je heen dan, Wiel?"
"Ik zat in de opvang van een leger. Wel gek dat het leger heet, want het is een heel ander leger dan wat er bij ons door het land loopt. Het heet geloof ik, Leger des Heils. Het helpt mensen in nood. Mensen zoals wij, die geen dak boven ons hoofd hebben.
"O ja" zegt Bram, "dat weet ik wel. Dat is bij de Dikke Toren joh. Heel gemakkelijk. Help even mee met het licht, dan brengen we je zo daar heen."
"Kan hij niet helemaal met ons mee? Ook naar de stal bedoel ik?" zegt Aafke.

De kinderen hadden namelijk afgesproken dat als ze klaar waren met hun werk, ze samen naar de Kerststal zouden gaan. Elk jaar werd die opgebouwd op het plein in de stad. Op kerstavond konden kinderen er gratis warme chocola drinken en kregen ze een sinaasappel van het stadsbestuur. En het kerstverhaal werd er gelezen. Het was altijd heel leuk om naar toe te gaan.


"Tuurlijk kan dat, als hij dat wil. Hoe meer zielen hoe meer vreugd, zegt mijn oma altijd."
"Dat lijkt me heel leuk" zegt Wiel tegen Pieter, "en ik wil ook heel graag licht brengen in de stad. Het is overal al zo donker.
De kinderen werken hard door en ontsteken één voor één de lichten. Af en toe staan mensen stil om ernaar te kijken en het is gek, maar als ze doorlopen kijken ze allemaal een beetje blijer. Het is net alsof het licht ook van binnen aangestoken wordt.

"Hè, hè" zegt Jan, "het laatste licht. Wie wil dat doen?"

Iedereen wil het laatste licht wel aandoen, en daarom loten de kinderen erom.
Liesbeth is de geluksvogel. Ze klimt op de ladder, maar wat is dat?


"Hé jongens" zegt Liesbeth,"er is iets geks aan de hand. Het licht wil helemaal niet aan."
"Is de pit soms te lang? Of ligt hij naar beneden?"
"Nee hoor, zo te zien niet."
"‘Kom er maar even af, Liesbeth, dan kijk ik wel even."
En Jan klimt vervolgens de ladder op.


Nou dat is wel heel raar. Hij is niet aan te krijgen.
"Hoe moet dat nu?" zegt Kees. "Dit licht kunnen we toch niet missen!"

Terwijl de kinderen daar zo staan verschijnen er opeens een paar engelen. Ze schrikken ervan, maar de engel Gabriël zegt:
"Wees maar niet bang. Ik wil jullie helpen met jullie mooie werk. Ik heb gezien dat jullie licht brengen in deze donkere stad. Wat jullie doen is eigenlijk mijn werk. Engelenwerk."
"Hoezo, klimt u ook op ladders dan?"
"Nou, ken je dat verhaal van Jakob niet? Hij droomde toch van engelen die op een ladder uit de hemel naar beneden en naar boven klommen?"
Agnes herinnert het zich. "O, ja, dat vond ik wel een mooi verhaal. Maar klimt u echt?"
"Tja, wat is echt?" zegt engel Michaël. "Het is in ieder geval zo dat wij licht brengen op aarde. We gaan van beneden naar boven en weer terug. Ladder af en op, zou je kunnen zeggen. We helpen mensen een eindje verder op de weg van God met onze boodschappen van blijdschap en vrede. En zo wordt het steeds een beetje meer licht op aarde."
"Maar dat is toch niet hetzelfde licht als het licht dat wij in de stad aansteken?" zegt Kees.

"Nee, niet helemaal. Maar het heeft er wel mee te maken.
Wij laten de mensen zien dat het licht op aarde groeien kan. Soms zeggen mensen: het heeft geen zin, wat ik doe maakt niet uit. Wij zeggen: het maakt wél uit. Ieder mens is nodig voor het licht. Toen jullie de lantaarns één voor één aanstaken lieten jullie ook zien dat het licht groeit en dat je daar elkaar voor nodig hebt. Het lijkt of je met elektrisch licht geen mens meer nodig hebt. Maar jullie hebben laten zien dat mensen nodig blijven. Dat het pas dan echt licht wordt."

De engel vertelde nog veel meer en aan het eind van zijn verhaal zei hij dat de kinderen op zo’n mooie dag het licht hadden aangestoken. Want zei hij, dit is toch de dag dat wij de geboorte van Jezus vieren. De geboorte van het Licht der wereld, want zo wordt Jezus ook wel genoemd.
Toen de kinderen alles hadden gehoord zei Wiel opeens:


"Nu snap ik waarom er bij de herders op het veld ook zoveel licht was. En waarom de engelen er waren.
"Hè, ik nog niet" zegt Bram.
"Nou, dat is om te vertellen dat Jezus is gekomen om licht te brengen op aarde. En toen al zeiden de engelen dat wij mochten helpen. ´Vrede op aarde´, weet je nog?"

De engelen knikten en lachten de kinderen toe. Engel Michaël klom de ladder op en stak tot stomme verbazing van de kinderen het laatste licht aan. Nu waren alle lantaarns aan. Overal in de stad straalde een zacht licht. Licht dat niet vanzelf aan gaat, maar waar je wat voor moet doen.

"Ziezo, ook weer klaar. Wat gaan jullie nu doen?
"We gaan naar de kerststal, hebben jullie zin om mee te gaan?"
"Gaan jullie maar vast."



De kinderen gaan met elkaar op weg naar de stal. Daar staat mama Ligthart al te wachten. Jan rent vooruit om haar de engel te laten zien.
"Mama, mama, moet je horen! We hebben een engel gezien, en hij heeft ons geholpen! Kijk, hij is met ons meegekomen!"
Maar als Jan zich omdraait, ziet hij alleen de andere kinderen. De engel is verdwenen.
"Ik zie geen engel, jongen, maar dat wil nog niet zeggen dat jij er niet één gezien hebt. Trouwens, jij bent een engel, omdat je het licht zo mooi aan hebt willen steken."
"Dat zei de engel ook al.
"Nou, kom maar mee, laten we gaan zitten, want het kerstverhaal begint bijna. Vertel thuis het hele verhaal maar, dan hoort papa het ook."
"Dat doe ik, want er is nog veel meer gebeurd."

De kinderen luisteren allemaal met volle aandacht naar het kerstverhaal

"Pieter, wat ga je doen?"
"Ik zet mijn ladder tegen de stal. Dan kan iedereen zien dat ook in onze stad het echte licht ontstoken is."
"Het licht dat mensen nodig heeft."
"Het licht dat mensen nodig hebben. Dat is het kerstfeest dat ik jullie toewens."


Voor iedereen een kerstfeest met veel licht!

Spelers in het kerstspel ‘Engelenwerk’:

Simone IJzelenberg, Annemieke van Harten, Tom Sanderse, Sofie van den Doel, Simon de Koning, Jasmijn de Zeeuw, Britt van Liere, Rosalie de Zeeuw, Christi Overweel, Ruben van Meer, Leander IJzelenberg, Joost van den Doel, Elias Speelman, Maaike Speelman, Maud van Liere, Eva Muller, Jitske Speelman, Lucas de Koning, Britney Bouwman, Carolien van den Doel, Nikita Hulsken, Diede van Meer

organisatie spel: Ester van der Schee, Ineke van Harten, Joke van Voorst

Decor: Giel van Leeuwen, Rens IJzelenberg, Annet Bom, Anne van Hekke, Wilna Boot, Evelien en Simone IJzelenberg, Kim en Lisa Horsman, Thomas Boot, Jasmijn en Rosalie de Zeeuw, Eva Muller, Tom Sanderse, Sylvana de Jonge.