Kinderkerstspel 2004

Ergens in de uitgestrekte bossen van Rusland woont Baboesjka. Zij is al oud, maar daar heeft Baboesjka geen last van. Ze is gelukkig. Ze heeft alles wat een mens nodig heeft. Genoeg te eten en altijd vuur in haar kacheltje. Iedereen in de wijde omgeving kent Baboesjka. Elke reiziger die langs haar huis komt, nodigt zij uit om van haar zelfgebakken brood te eten en een warme kop thee te drinken. Haar gastvrijheid is bij alle mensen bekend. Haar brood is het lekkerste brood van de wijde omgeving.
Op een morgen, als het landschap bedekt is met een dik pak sneeuw en de takken van de bomen bijna bezwijken onder de glimmende laag sneeuwvlokken, doet Baboesjka haar voordeur open. In de verte ziet ze drie deftige reizigers aankomen. Ze zijn gekleed in warme, kleurig versierde jassen, ze hebben dikke mutsen op hun hoofden en dragen prachtige geschenken in hun handen.




"Goedemorgen Baboesjka, we komen van ver, en hebben de hele nacht gereisd. Nu zoeken we een plek om uit te rusten, is hier misschien plaats voor ons?"
"Maar natuurlijk. In het huis van Baboesjka is iedereen welkom!"


De ogen van de drie gasten beginnen te glimmen als ze de warme pot thee op het fornuis zien staan en hun neusvleugeltjes gaan vrolijk heen en weer als ze de heerlijke geur van vers gebakken brood ruiken. Terwijl Baboesjka haar gasten verzorgt en het verse brood met boter besmeert, vraagt ze honderduit.

"Ik begrijp dat u de hele nacht onderweg bent geweest. Is dat niet raar? Wie reist er nu in het donker van de nacht in plaats van in het licht van de dag?" zegt Baboesjka.

"Wij reizen in het donker, want een ster wijst ons de weg."
"Een ster, maar welke ster dan? En waar brengt hij jullie naar toe?"
"Wij zijn geleerden, al jaren bestuderen wij elke nacht de hemel en ontdekken heel veel prachtige sterren. Op een nacht zagen we opeens een heel bijzondere ster. We keken elkaar aan en zeiden:
Kijk een koningsster! Er is een koningskind geboren. Dit kind zal de wereld licht en vrede brengen. Natuurlijk gaan wij niet met lege handen op bezoek. Kijk dit zijn onze geschenken.


De drie koningen doen hun kistjes open en laten Baboesjka de prachtig versierde geschenken zien die ze aan het koningskind willen geven.




"Met dit koningskind zal de wereld rijk gezegend zijn. Daarom geef ik het koningskind goud."

"In dit kind komen hemel en aarde samen. Daarom geef ik het kind wierook. De rook daarvan stijgt omhoog en maakt een verbinding tussen aarde en hemel."

"Dit kind zal wonden genezen en pijn verlichten. Daarom geef ik mirre, een parfum waarmee koningen worden gezalfd"



Baboesjka is onder de indruk als ze al deze mooie geschenken ziet. De koningen vragen of Baboesjka meegaat om het kind te begroeten. Zij weet niet wat ze voor het koningskind mee kan nemen. Ze heeft geen geld voor dure geschenken, maar één van de koningen zegt dat ze zo'n heerlijk eigen gebakken brood mee kan nemen. Baboesjka twijfelt en denkt er over na. Ze brengt haar gasten naar hun slaapplaats. De één mag in haar bed slapen, en de twee anderen op de stoelen in de kamer.
En Baboesjka? Zij is klaarwakker en ruimt stilletjes, zonder dat haar gasten er last van hebben, haar huisje op. Ze kneedt het deeg, bakt het brood en maakt verse warme thee. Ondertussen denkt ze na over de vraag die de gasten haar stelden. Ze wil het koningskind graag ontmoeten, maar wat moet ze het kind geven? En kan ze haar huisje wel achterlaten. Er is nog zoveel werk te doen.

 

Voor Baboesjka er erg in heeft, is het avond geworden. Haar gasten zijn uitgerust en maken zich gereed voor vertrek. Baboesjka neemt een vers gebakken brood, doet het in een schone doek, en zegt: "Alsjeblieft, voor jullie, voor onderweg".

"Dank je wel Baboesjka, je zorgt goed voor ons".

"Maar waar is het brood voor het kind?"

"Je gaat toch wel met ons mee?"

"Ik... eh, ik ben nog niet klaar..." zegt Baboesjka: "Ik... eh..., ik reis jullie morgen achterna. Ik haal jullie snel in. Eerst wil ik hier opruimen en... dan kom ik."

 










 

De koningen schudden droevig hun hoofd. Ze kijken naar de hemel en zien de grote ster. `We moeten nu weg', zeggen ze. `Anders verliezen we de ster uit het oog.'






Baboesjka blijft alleen achter. Ze ruimt haar huisje op. Doet wat extra hout in haar kachel en kneedt opnieuw deeg om een brood van te bakken. Als alles klaar is en haar huis geurt naar vers gebakken brood, loopt Baboesjka naar de kast. Ze trekt een la open en kijkt naar het speelgoed dat er in ligt.
Eens, heel lang geleden, heeft haar man het gemaakt voor hun kindje. Maar hun kindje is gestorven. Het heeft er nooit mee kunnen spelen. Zou ze het aan het koningskind geven?


 
Maar lieve help, wat is het speelgoed vuil geworden. Zo kan ze het niet weg geven. Ze pakt haar stofdoekenmandje, zet het op de tafel en poetst en poetst. Als Baboesjka eindelijk klaar is, is het buiten al helemaal donker. Voorzichtig doet ze het speelgoed in haar mandje en legt er een vers gebakken brood bij. Vrolijk en vastbesloten stapt ze haar huis uit en gaat de koningen achterna.

Vol verwachting kijkt ze omhoog. Maar de hemel is donker. Baboesjka kijkt nog eens goed. Waar is de stralende ster die haar de weg zal wijzen? Baboesjka schudt haar hoofd. De grote ster is verdwenen en zelfs het spoor van de koningen is bedekt met een nieuw laagje sneeuw.
Even aarzelt Baboesjka, wat zal ze doen? Maar ze zet door. In het donker van de nacht gaat zij op zoek naar het koningskind. Ze gunt zichzelf geen rust. Ze loopt maar door en door.

En zo stapt Baboesjka door de sneeuw. Ze loopt van het ene naar het andere dorp. En aan iedereen die ze tegenkomt, vraagt ze:

"Heeft u soms drie koningen gezien? Wijzen uit het oosten?"

"Ja, die heb ik wel gezien, ze zijn die kant op gegaan."

Ze loopt weer verder en vraagt opnieuw: "heeft u soms drie koningen gezien? Wijzen uit het Oosten?"

"Ja die heb ik wel gezien, ze zijn die kant op gegaan". Maar ze wijst precies naar de andere kant dan de eerste voorbijganger.

 
Zo verloopt de ene dag na de andere. Baboesjka kan er geen touw meer aan vastknopen. Moet ze nou naar het oosten, naar het westen of toch naar het zuiden? De dagen worden weken. Haar voeten doen pijn en ze is moe.
 

Op een dag komt Baboesjka in een grote stad, Jeruzalem. Midden in de stad staat een prachtig paleis. Een koninklijk paleis. Daar zullen ze vast meer weten over het koningskind, denkt Baboesjka. Ze vraagt het aan de paleiswacht. "Is hier een koningskind geboren?"

"Vreemd, u bent al de vierde reiziger die dat vraagt in korte tijd. Nog niet zo lang geleden waren hier drie koningen, Wijzen uit het Oosten. Zij waren ook op zoek naar een koningskind. Maar hier in het paleis is geen koninklijk kind geboren. Onze geleerden hebben de boeken bestudeerd en hen door gestuurd naar Betlehem."

Snel draait Baboesjka zich om. `Ik moet naar Betlehem', zegt ze tegen zichzelf. En bij elke stap die Baboesjka zet, klinkt die naam in haar hoofd. Betlehem, Betlehem, daar moet ik zijn.

Die avond komt Baboesjka eindelijk op de plaats van bestemming. Ze is doodmoe. Bij de bron midden in het kleine stadje Betlehem staat een vrouw en Baboesjka vraagt: "Kunt u mij vertellen waar het koningskind geboren is?" De vrouw antwoordt: "Koningskind, laat me niet lachen! Gelooft u ook al in dat vreemde verhaal? Er wordt inderdaad verteld dat er een bijzonder kind is geboren hier in Betlehem, in de stal van die herberg daar. Maar ik geloof er niets van. Een koning in een stal, dat kan toch niet?!" Baboesjka bedankt de vrouw en loopt in de richting van de stal. Ook zij begrijpt er niets van. Een stal? Is dat een plek voor een koningskind?

Moe klopt ze aan bij de herberg, en zegt: "Ik ben op zoek naar het koningskind. Kunt u mij verder helpen?" De herbergier zegt: "Dan bent u te laat, omaatje. Een paar dagen geleden waren hier nog drie koningen om het kind te bezoeken, maar die zijn vertrokken en ook de ouders van het kind hebben hun spulletjes bij elkaar gezocht en zijn met het kind op reis gegaan, richting het zuiden, naar Egypte.




Als de herbergier de teleurstelling in Baboesjka's ogen leest, is hij heel even stil. Dan zegt hij vriendelijk: "Als u graag wilt zien waar het kindje geboren is, kom dan maar met me mee." Hij brengt Baboesjka naar de stal en laat haar daar alleen.

Baboesjka zucht... `Wat jammer nou.' Ze is te laat. Had ze maar geluisterd naar haar gasten. Baboesjka voelt zich moe en alleen. Ze kijkt naar de lege voerbak. Ze kijkt naar de os en de ezel. Die schuiven een beetje op. Het is net alsof ze zeggen: `Kom maar Baboesjka. Rust maar uit.'





Baboesjka legt de geschenken die ze voor het kind heeft meegenomen in de voerbak: het speelgoed en haar zelfgebakken bruine brood. Ze is verdrietig. Ze had het koningskind zo graag ontmoet en het verhaal gehoord over zijn geboorte. Dichtbij de dieren valt Baboesjka in slaap. Ze droomt en in die droom verschijnt er en heel grote ster. De ster komt steeds dichter- en dichterbij. Boven de stal houdt hij stil. Opeens is er licht. Wat Baboesjka ziet, is prachtig. In de voerbak ligt een kind, en ze hoort een stem...



...Dit is de afkomst van Jezus Christus. Maria, zijn moeder, zou gaan trouwen met Jozef, maar ze woonden nog niet bij elkaar. Maria nu bleek zwanger door Gods heilige Geest. Haar man, Jozef, een oprecht en eerlijk iemand, wilde niet dat er over Maria gekletst zou worden en besloot in stilte van haar te scheiden. Maar toen hij zich dat had voorgenomen, kreeg hij een droom. Een engel van de Heer verscheen hem en zei:

"Jozef, zoon van David, wees niet bang om bij Maria, je vrouw, te gaan wonen, want het kindje in haar buik is uit de heilige Geest. Zij zal een zoonje krijgen en je zult hem de naam Jezus geven, want hij is het die zijn volk zal bevrijden van het kwaad dat hen gevangen houdt."

Door dit alles kwam uit wat de Heer door zijn profeet gezegd heeft: De jonge vrouw zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal hem de naam ImmanuŽl geven, wat betekent: 'God met ons'. Toen Jozef wakker geworden was, deed hij wat de engel van de Heer hem had gezegd: hij nam zijn vrouw bij zich en zorgde goed voor haar. En toen het kind geboren was gaf hij hem de naam Jezus...
...Toen Jezus geboren was, in Betlehem in Judea, onder de regering van Herodes, kwamen er Wijzen uit het Oosten in Jeruzalem aan. Zij vroegen: 'Waar kunnen wij de pasgeboren koning van de joden vinden? Want wij hebben zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om hem te eren en voor hem neer te knielen.' Toen koning Herodes hiervan hoorde, schrok hij erg, en met hem heel Jeruzalem. Hij riep alle opperpriesters en schriftgeleerden van het volk bijeen en wilde van hen weten waar de Christus geboren zou worden. 'In Betlehem in Judea', antwoordden ze, 'want de profeet heeft geschreven: En u, Betlehem in het land van Juda, u bent zeker niet de minste onder de groten van Juda, want een groot man zult u voortbrengen, de herder van het volk IsraŽl.' Vervolgens riep Herodes de Wijzen in stilte bij zich en vroeg hen nauwkeurig naar de tijd waarop de ster verschenen was. Daarop zei hij dat ze maar naar Betlehem moesten gaan, om daar een zorgvuldig onderzoek in te stellen naar het kind. 'En', zei hij, 'kom me vertellen als u het kind gevonden hebt, want ik wil het ook gaan aanbidden.' Na dit gesprek met de koning gingen ze op weg. En nu ging de ster die ze hadden zien opgaan, voor hen uit tot boven de plek waar het kind was; daar bleef de ster staan. Toen ze dat zagen, waren ze heel erg blij. Ze gingen het huis binnen en zagen het kind met zijn moeder Maria. En ze knielden vol eerbied voor hem neer. Ze openden hun kistjes met geschenken en boden hem goud, wierook en mirre aan. En in een droom kregen ze de waarschuwing niet meer naar Herodes te gaan. Daarom keerden ze langs een andere weg naar hun land terug...

Als Baboesjka wakker wordt, liggen de os en de ezel dicht tegen haar aan. Maar verder is de stal helemaal leeg. Alle stalbewoners uit haar droom zijn verdwenen. Ze kijkt naar de voerbak. Hij is leeg, het kind is er niet. Maar wat is dat? Ook haar geschenken zijn verdwenen: het speelgoed en haar zelfgebakken brood! Baboesjka glimlacht, ze weet zeker dat het kind haar geschenken heeft meegenomen.

Het verhaal van Baboesjka is nog lang niet uit. Want elk jaar met Kerstmis hangen de kinderen in Rusland hun kous op naast de kachel of de haard. Ze hopen dat Baboesjka in de kerstnacht bij hen langskomt met haar mandje met speelgoed en hun kous of sok vult met haar geschenken.

Als ze de volgende morgen onder in hun kous tussen de geschenken een klein stukje bruin brood vinden, zeggen de vaders en moeders: 'Kijk, zie je dat? Baboesjka is vannacht langs geweest en ze heeft niet alleen speelgoed, maar ook een stukje brood achter gelaten. Net zoals ze vele jaren geleden voor het koningskind heeft gedaan.