Het bijzondere kerstfeest van papa Panov


Er was eens, lang geleden, een oude schoenmaker. Die woonde heel ver weg, ergens in een klein dorpje in Rusland. Hij heette Panov. Meneer Panov, zouden wij zeggen. Maar de mensen in dat dorpje noemden hem geen meneer, zij zeiden: Papa Panov. Dat vonden ze leuker klinken, vertrouwder. Erg rijk was papa Panov niet. Alles wat hij had was een kleine kamer. Vanuit die kamer kon hij kijken op de Dorpsstraat. En in die kamer deed hij alles: wonen, slapen en schoenen repareren. Maar arm was papa Panov ook niet. Hij had alle gereedschap dat hij nodig had om schoenen te repareren. Dat deed hij de lieve lange dag, want er waren veel mensen die vroegen of hij nieuwe schoenen voor hen wilde maken of hun schoenen wilde repareren.



Zo ging dat, dag in dag uit, van de vroege morgen tot de late avond. En meestal was Papa Panov er heel gelukkig mee. Hij zong en floot terwijl hij aan het werk was. Maar vandaag was het anders. Papa Panov stond verdrietig voor het raam van zijn winkel. Hij moest denken aan zijn vrouw, die lang geleden gestorven was. En aan zijn kinderen, die allemaal ver weg woonden. Het was kerstavond en papa Panov dacht aan alle mensen die nu gezellig samen het kerstfeest vierden. Hij voelde zich heel alleen.

“Och, och, wat ziet het er allemaal gezellig uit in de straat. Ik wou maar dat ik niet zo alleen was” zei hij tegen zichzelf. Hij zuchtte diep, pakte een oud bruin boek te voorschijn, ging in de rieten stoel zitten en deed het boek open. Papa Panov had nooit op school gezeten en hij kon niet zo goed lezen. Hij ging met zijn vinger langs de regels en las de woorden hardop voor.

In die tijd kondigde keizer Augustus een decreet af dat alle inwoners van het rijk zich moesten laten inschrijven. Deze eerste volkstelling vond plaats tijdens het bewind van Quirinius over Syriëë. Iedereen ging op weg om zich te laten inschrijven, ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam. Jozef ging van de stad Nazaret in Galilea naar Judea, naar de stad van David die Betlehem heet, aangezien hij van David afstamde, om zich te laten inschrijven samen met Maria, zijn aanstaande vrouw, die zwanger was. Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan, en ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde hem in een doek en legde hem in een voederbak, omdat er voor hen nergens plaats was.

 

Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem in Judea, in de dagen van koning Herodes, zie, wijzen uit het Oosten kwamen te Jeruzalem, en vroegen: Waar is de Koning der Joden, die geboren is? Want wij hebben zijn ster in het Oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen.
Zij hoorden de koning aan en reisden weg; en zie, de ster, die zij hadden gezien in het Oosten, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het kind was. Toen zij de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde. En zij gingen het huis binnen en zagen het kind met Maria, zijn moeder, en zij vielen neder en bewezen hem hulde. En zij ontsloten hun kostbaarheden en boden hem geschenken aan: goud en wierook en mirre.


Papa Panov zat nog in de rieten stoel en hield het boek opengeslagen op zijn schoot en zei: “Och, och, als Jezus hier zou komen, dan zou ik niets hebben om aan Hem te geven.”

Opeens begon papa Panov te lachen en hij stond op en liep naar een rek met schoenen. Daar stond een doos waar een touwtje omheen zat. Hij deed de doos open en haalde een paar kleine schoentjes te voorschijn, die in een doek zaten gewikkeld. Hij hield in elke hand een klein schoentje en bekeek ze aandachtig. Dit waren de beste schoenen die hij ooit had gemaakt. Papa Panov deed de schoentjes terug in de doos en ging weer zitten. “Ja”, zei hij. “Als Jezus hier zou komen dan zou ik hem die schoentjes geven.” Papa Panov zuchtte diep en ging weer lezen. Of het nu de warmte was of dat het al laat geworden was, het duurde niet lang of papa Panov viel in een diepe slaap. Buiten werd het steeds mistiger. Mensen gleden als vage figuren langs het raam van papa Panov. Maar de oude schoenmaker sliep door. Plotseling hoorde hij een stem.

“Papa Panov, je wilde toch graag dat er iemand langskwam? Je had graag gewild dat Ik naar je winkel was gekomen, en dat je Mij iets had kunnen geven. Let morgen goed op in de straat, vanaf het moment dat de zon opgaat tot de zon ondergaat, en Ik zal komen. Doe je best om Mij te herkennen, want Ik zal mijn naam niet zeggen.”

Toen was alles stil. Papa Panov wreef in zijn ogen en ging snel rechtop zitten. De kachel was uitgegaan maar buiten kon je de klokken horen: het kerstfeest was begonnen. Langzaam drong het tot hem door wat de stem gezegd had.


De volgende morgen stond papa Panov bij de eerste zonnestralen op en zette een pot koffie. Steeds liep hij naar het raam om te zien of er al iemand aankwam. Eindelijk was er iemand. Papa Panov zag een man, ver weg in de kromme Dorpsstraat. Hij drukte zijn neus tegen het raam om te zien wie het was. Misschien was dit Jezus wel. Maar toen de man dichterbij kwam, zag papa Panov wie het was. Het was Pjotr de straatveger, die elke week langskwam met zijn bezem en kruiwagen. Teleurgesteld ging hij weer zitten.

Papa Panov zei mopperend: “Sta ik daar op de uitkijk voor Pjotr. Alsof ik niks beters te doen heb. Ik lijk wel gek om hier te gaan staan wachten op een koning. Misschien moet ik maar gewoon aan het werk gaan.”

Maar het werken lukte niet. Of hij nu wilde of niet, hij ging toch weer naar het raam toe. En toen zag hij dat de straatveger was blijven staan. Hij had het koud, want hij wreef zijn handen over elkaar en stampte met zijn voeten. Papa Panov kreeg medelijden met hem, liep naar buiten en vroeg Pjotr binnen te komen om zich te warmen bij de kachel met een kopje koffie. Papa Panov ging weer bij het raam staan en keek de straat in. Pjotr zag dat papa Panov onrustig was en vroeg of hij soms visite verwachtte. Toen vertelde Panov dat hij eigenlijk op Jezus van Nazareth stond te wachten omdat die bij hem langs zou komen. Pjotr reageerde verbaasd en een beetje spottend en zei dat hij dan maar beter weg kon gaan als zo hoog bezoek zou komen. Papa Panov snapte ook wel dat het wat vreemd klonk en daarom vertelde hij Pjotr het hele verhaal. Pjotr zette zijn kopje neer en bedankt papa Panov. Hoofdschuddend ging Pjotr weer naar buiten.


Papa Panov keek de straatveger na. Inmiddels liepen er allerlei mensen. Veel mensen hadden hun mooiste kleren aangetrokken om naar de kerk te gaan en daar het kerstfeest te vieren. Ze knikten en lachten naar papa Panov, die op de drempel stond van zijn winkel, en wensten hem een fijn kerstfeest. De oude schoenmaker knikte en lachte terug. Maar hij wilde geen praatje met hen maken. Hij wachtte op iemand.


 

 

Hij wilde net weer naar binnen gaan toen hij een jonge vrouw met een baby zag. Ze liep strompelend en zag er heel moe uit. Opeens riep hij: “Hé, jij daar, kom eens hier. Kom maar even binnen. Je ziet er koud en moe uit, hier kun je even op adem komen.” De jonge vrouw heette Anna en was op reis naar het volgende dorp, zes kilometer verderop. Ze woonde altijd bij de molen, maar had geen geld meer voor de huur. Ze ging vragen of ze bij haar nicht kon wonen. “Kom nu eindelijk binnen, dan kan ik je wat drinken geven. Zal ik ook wat melk maken voor je kindje? Ik maak het zo warm op de kachel.” Toen zag papa Panov dat het arme kind geen schoentjes had. Verdrietig vertelde de vrouw dat ze het geld niet had om schoenen te kopen.

Terwijl papa Panov de melk warmde bedacht hij iets. Hij moest denken aan de doos op de plank. De twee kleine schoentjes die hij lang geleden gemaakt had. Die zouden de baby misschien wel passen. Papa Panov pakte de doos. Hij deed het jongetje de schoentjes aan. Ze pasten precies. Perfect! De jonge vrouw wist niet hoe ze hiervoor kon bedanken, maar papa Panov zei dat de schoentjes al heel lang op een goede bestemming stonden te wachten.


Inmiddels stond papa Panov alweer bij het raam, want hij was bang dat hij door al dat gepraat Jezus gemist had. Gelukkig ging de jonge vrouw al snel weer verder, zodat hij ongestoord kon kijken en speuren in de straat. Er gingen uren voorbij en er kwamen allerlei mensen langs. Papa Panov lachte tegen sommigen, groette anderen en met Iljá, de bedelaar, maakte hij een praatje. “Hé, Ilja! Gaat het een beetje?” Ilja gromt: “Nou, het houdt niet over natuurlijk. Ik ben al lang blij als mensen niet net doen alsof ze me niet zien. Als ze nog een klein centje voor me over hebben. “Kom maar even binnen. Hier is het warm en ik heb nog wat brood voor je. En wat kleingeld zal ook wel lukken. Kom maar hoor. Ik heb de tijd. Het is al avond en ik heb de hele dag gewacht, maar waar ik op wachtte, dat gebeurt toch niet” zei papa Panov. “Wat bedoel je? Waar heb je op gewacht?” “Ik had gedroomd dat Jezus bij me op bezoek zou komen. Het was zo echt dat ik de hele dag op de uitkijk heb gestaan. Maar niks hoor. Er zijn heel wat mensen voorbij gekomen, maar Jezus niet. Het was toch maar een droom.” Vol begrip zegt Ilja: “Ach ja, van dromen wordt een mens niet wijzer. En ik kan het weten. Als je arm bent droom je van de dag dat je rijk bent, maar erg veel beter word je er niet van. Je brood is lekker, Panov. Bedankt hoor. Ik moet ook weer gaan, anders ben ik niet op tijd op de slaapplaats die ik heb weten te regelen. Tot ziens!”

Na het vertrek van Ilja ging papa Panov verdrietig in zijn rieten stoel zitten. Hij pakte het grote boek om weer te gaan lezen, maar twee grote tranen vulden zijn ogen zodat hij niets meer zag. “Ik wilde het zo graag geloven, maar het was toch maar een droom. Jezus is niet gekomen” zei hij weer tegen zichzelf.

Papa Panov zat verdrietig voor zich uit te kijken toen het opeens was of er iemand in de kamer was. Het leek wel of hij door zijn tranen heen een lange rij mensen door zijn winkel zag lopen. Pjotr de straatveger was er, en de vrouw met haar kindje. Ilja, de bedelaar, en anderen die hij die dag had gezien en gesproken.
“Zag je mij niet, zag je mij niet, Papa Panov?”

Toen hoorde Papa Panov dezelfde stem als de vorige nacht:

“Ik had honger, en je gaf Mij eten. Ik had dorst en je gaf Mij te drinken. Ik had het koud en je hebt Mij gevraagd om binnen te komen. Alle mensen die jij vandaag hebt geholpen, elke keer dat je klaarstond om hen te helpen, heb je Mij, Jezus, geholpen.”

Toen werd het stil in de kamer. Papa Panov keek om zich heen en zei langzaam:

“Hij is dus toch gekomen! Hij is dus toch gekomen, Jezus was er, op mijn kerstfeest!”